De anonimiteit in
Ondertussen waren we, na een tocht langs al die vreselijke moderniteit, in een grootte hal aangekomen waar ik, achter een glazen wand, allerlei mensen zag staan, die uitbundig begonnen te zwaaiden toen ze ons zagen aankomen. Er was echter voor ons eerst nog wat officieel militair protocol, dat absoluut moest worden afgehandeld en dus moesten we ons eerst nog weer netjes uitrichten zodat we met het “Geeft acht” commando, keurig in "de houding” konden worden gecommandeerd en omdat we goed gedrilde militairen waren, stampten wij toen dus maar weer met één zekere klap, allemaal keurig tegelijk in die houding. In mijn herinnering beefde het hele gebouw van de. Klap.
Er moest namelijk nog wel eerst weer zo'n vreselijke toespraak worden ondergaan waar volgens mij, niemand echt naar geluisterd heeft. Ik in ieder geval zeker niet omdat ik, ondanks het strakke militaire protocol, opzij stond te kijken naar de mensen die daar achter die glazen wand stonden en wezen als ze iemand herkenden.
Voor mij waren het allemaal vreemden en hoewel ze ongetwijfeld een heel gemiddelde doorsnee van de gewone, onbezorgde Nederlandse burgerbevolking, vond ik hen, allesbehalve gewoon.
Voor m'n vertrek naar Libanon, had ik al geweten dat er niemand voor mij de moeite zou doen om gewoon even naar Schiphol te komen om me op te halen. M’n vriendin had me verteld dat ze er niet voor me zou kunnen zijn omdat ze in haar examenjaar op een Drents VWO zat en het daar dus te druk mee zou hebben.
Mijn ouders, die in een dorp in Brabant woonden, hadden wel tijd genoeg om mij op te komen halen, maar m’n vader ging ab-so-luut niet naar dat, volgens hem, vreselijke Amsterdam.
Hij sprak altijd over Amsterdam op een toon alsof daar op iedere straathoek, criminele bendes rondhingen die iedere argeloze voorbijganger zouden beroven. "Het is één grote rotzooi daar” zij hij altijd op de wereldwijze toon van iemand die nog nooit in een grote stad is geweest. Het was ook niet mogelijk om hem te overtuigen dat, dat helemaal niet zo is en vooral dat je helemaal niet door Amsterdam hoeft om bij Schiphol te komen, Pa was echt onverzettelijk over alles wat met Amsterdam te maken had.
Als ik echter nu, achteraf even neutraal op de hele situatie terug probeer te kijken, zie ik een militair die terug komt van z'n gewapende missie in het midden oosten en z'n vriendin die een idealistische en vooral antimilitaristische Nederlandse scholier is, die haar schoolexamen nog moet afronden. (Hoezo contrast?) Natuurlijk wou die scholier niet als een soldatenliefje worden gezien.
Toen ook het laatste toespraken gedoe eindelijk achter de rug was, was er nog wel eerst een tassen controle om te ondergaan want we waren dan wel goed genoeg geweest om de Libanezen in hun land te controleren, in ons eigen land werden we niet vertrouwd. Hoezo contrast?
De douane man die mij toen controleerde keek in mijn tas en vond daar natuurlijk de Russische bajonet, die ik in Libanon van een handelaar had gekocht. Die lag namelijk bovenop de bagage in m'n tas.
Hij stopte hem echter met een grijns en een vage opmerking over het lemmet, dat volgens hem niet te groot was, (Niet echt, groter dan z’n hand dus.) gewoon weer terug in m’n tas.
Het hele gedoe gaf mij de indruk dat men er rekening mee hield dat we misschien een stel criminelen konden zijn in plaats van militairen die in het Midden-Oosten hun land hadden vertegenwoordigd. Het geheel voelde dan ook echt niet aan als een welkom terug in Nederland.
Net in die aankomsthal aangekomen, had ik, heel praktisch, al meteen gezien waar ik naar de treinen kon. Alleen toen waren er dus eerst nog die formaliteiten geweest. Toen we die echter achter de rug hadden, kwam er tijd vrij voor de familie en geliefden die op ons hadden staan wachten.
Omdat ik al wist dat er voor mij echt niemand was ben ik toen, nog een beetje besluiteloos, samen met Jan naar zijn ouders gelopen. Jan had in het vliegtuig naast me, en in Libanon ook bij mij op de post gezeten en z'n ouders reageerden erg verbaast toen ze merkten dat ik helemaal niet, van Schiphol werd opgehaald. Met de branie van een jongen van net twintig, heb ik toen maar tegen hen gezegd, dat ik gewoon met de trein naar huis zou gaan. Iets dat op dat moment echter alles behalve gewoon voelde.
Na wat gekeuvel namen Jan en ik toen luchtig afscheidt van elkaar "Je hebt m'n nummer? Goed, we bellen wel." waarna ik me heb omgedraaid en, uiteindelijk helemaal alleen, met m'n weekendtas, m’n radio, een kilo lood in m'n schoenen en een gevoel van, ik zoek het wel weer zelf uit in de richting van die al eerder gespotte trap voor de treinen ben gelopen.
Terwijl ik die trap af liep, verdwenen al m’n maten met hun familie en geliefden uit het zicht tot ik, uiteindelijk alleen, onder aan die trap aankwam op een griezelig gewoon Nederlands treinperron. Zo'n vreemd bekend treinperron zoals ik dat voor Libanon, vast nog heel gewoon had gevonden.
Op dat moment echter, gaf het me alleen maar het gevoel alsof ik een oude foto in was gestapt. Zo'n plaatje van een treinperron waar, net als vroeger, allemaal veel te drukke reclameposters hingen. Een plaatje ook waarin ik, in een onbestemd tl licht, wat mensen zag staan die, in gewone kleding, gewoon op een ongetwijfeld voor hen gewone trein stonden te wachten.
Een plaatje ook, waarin ik maar gewoon, met een vreemd gevoel dat er niets meer klopte op een bord met vertrektijden keek om te zien dat er snel, een trein richting Utrecht zou komen.
Het voelde zo vreemd dat ik in die wereld blijkbaar gewoon wist hoe alles werkte en ik was blij dat op dat moment, m’n militaire kleding me nog wel een beetje van al die gewone mensen onderscheidde. Ik wou namelijk nog beslist niet een van die gewonen zijn. Met een heel vreemd gevoel deed ik toen echter wel m'n blauwe baret af, rolde hem op en stopte hem, in m'n broekzak. Waarom ik dat, op dat moment deed, weet ik echt niet en ik had er ook meteen spijt van, maar ik liet hem dus wel in die broekzak zitten.
Het was de eerste van vele handelingen die me uiteindelijk zouden reduceren van die gerespecteerde militair in het Libanese hoogland, tot een gewone burger in Nederland. In gedachten vluchtte ik toen maar snel weer terug naar die wereld in Libanon waar alles tenminste nog klopte.
"Ik zit op wacht en luister, via de radio, naar een bericht over een mitrailleur salvo die is afgevuurd bij een van onze posten. Zelf meld ik een Zuid-Libanese "halftrack" (Een truck met aan de voorkant gewone wielen en aan de achterkant rupsbanden.) die net, met een paar gewapende mannen bij de Libanese post Tango aan de overkant is aangekomen."
Dat voelde veel meer als de echte wereld dan het land dat ik hier, terug in Nederland om me heen zag. Een land dat beslist niet minder vreemd werd toen ik maar "gewoon" in de net aangekomen trein naar Utrecht stapte.
Die zelfde ochtend nog, was ik wakker geworden in een barak, op een heuvel in zuid Libanon. Legeruitrusting en geladen wapens waren daar, nog een vanzelfsprekend onderdeel van m'n leven geweest. Daar was echter die ochtend ook de vreselijke overgang naar het leven als burger in Nederland, begonnen en in de loop van de dag was, het militair zijn langzaam steeds een beetje meer gestript.
Er klopte voor mijn gevoel dan ook helemaal niets van om als enig overgebleven en ongewapende soldaat, tussen allemaal gewone burgers. naar een zogenaamd thuis te moeten reizen.
achteraf vraag ik me ook af of m'n maten die wel van Schiphol werden gehaald ook zo'n gevoel van vervreemding hebben ervaren bij hun thuiskomst.