Libanon verhaal


Naar Libanon


Het was een erg gure, en nog steeds helemaal donkere herfst ochtend in November, waarop we met militaire precisie uitgelijnd voor ons Nederlandse kazerne gebouw stonden opgesteld voor het, in het leger gebruikelijke ochtendappèl. Het was echter niet een gewoon appèl. Het was het laatste appèl dat we in Nederland zouden hebben. Na maanden vol oefeningen en voorbereidingen, was de dag van ons vertrek naar het verre Libanon, namelijk echt aangebroken. Hoewel ik “aangebroken” hier een wel erg optimistische term vind. Om op tijd voor onze vroege vlucht op Schiphol te kunnen zijn, moesten we namelijk wel erg vroeg ons bed uit zijn. 

Voor mijn gevoel was ik midden in de nacht al wakker gemaakt, maar ik, heb die nacht tenminste nog wat geslapen. Veel van m'n maten, waren niet eens hun bed in geweest.

In de grote kantine, stond een vroeg ontbijt voor ons, de vertrekkende jongens, klaar maar dat heb ik heel bewust overgeslagen om nog een beetje rustig m'n bed uit te kunnen komen. 

Zoals altijd in het leger, was alles op die dag volgens een strak schema geregeld dus na dat appèl konden wij, met onze reis bagage in de ondertussen gereedstaande legergroene bussen stappen en werden we naar Schiphol gebracht. 

Het zou m’n allereerste vliegreis worden, en dat op zichzelf vond ik al spannend, maar dit zou dan ook nog eens helemaal naar het middenoosten gaan. Naar een land, waar Arabisch de normale voertaal is en een echte burgeroorlog gaande was. 

Tot die ochtend was het eigenlijke naar Libanon gaan, voor mij nog een beetje een abstract idee geweest. Iets dat ergens in de toekomst een keer zou moeten gaan gebeuren, maar na maanden van voorbereiding, was dat moment er ineens echt.


Uren later stonden we weer lineaal recht uitgelijnd, maar deze keer op het vliegveld van Beiroet, waar we waren aangekomen in een wereld van vergane glorie en oorlogsschade.

Eigenlijk waren alleen het vliegtuig waar we uit waren gestapt en de, zo te zien pas vernieuwde asfaltlaag van de landingsbaan waarop het stond, nog onbeschadigd.

Dat vliegtuig was ik die morgen nog ingestapt op het erg moderne Schiphol waar alles, zeker in vergelijking de plek waar ik was aangekomen, nog als nieuw en erg modern was geweest. Van al die, in Nederland zo gewone moderniteit was in Libanon echter niets terug te vinden. 

Ondertussen kwamen de mannen die we moesten gaan aflossen aan gemarcheerd en hun houding en uiterlijk maakten van hen, meteen een heel andere groep dan de jongens waarbij ik zo keurig en vol verwachting stond aangetreden. 

Het was dan ook overduidelijk wie er, op dat vliegveld, de nieuwen waren want die, wij dus, zagen er nog vers en representatief uit met net nieuwe kleding en glimmend gepoetst schoeisel.

Terwijl die vertrekende jongens, naast ons werden opgesteld stond ik me vooral af te vragen, wat zij niet allemaal te vertellen zouden kunnen hebben. En, nog belangrijker, wat ik zelf te vertellen zou gaan hebben tegen de tijd dat ook mijn tijd in Libanon er op zou zitten. 

Toen zij echter eenmaal naast ons stonden, was dat voor een hoge militair het startteken om ons eerst nog allemaal samen van zo’n, volgens de mensen die daar over gaan, vast erg noodzakelijke toespraak te laten genieten. De man had een balk met twee sterretjes als rangteken op zijn schouder (zoiets als dit dus) en dat zou van hem een "Luitenant-kolonel" maken. Hij was dan ook de commandant van Dutchbat en z'n erg officiële zegje, heb ik, toen ik met dit verhaal bezig was, nog van het internet kunnen plukken en het ging als volgt:


“Van harte welkom op Libanese bodem. De belangstelling die wij voor U hebben bij Uw aankomst, van bataljonszijde maar ook van regeringszijde, is groot omdat wij weten dat U allen een belangrijke taak gaat uitvoeren. Wij zijn erg blij dat U hier bent aangekomen. U bent een welkome versterking van hen die ons straks gaan verlaten. Wij kunnen geen mensen missen. Ik wens U in de komende maanden, hoelang U hier ook mag blijven, een plezierige, maar vooral een goede tijd toe. Het zal niet zo makkelijk zijn. Uw voorgangers hebben het reeds ten dele ervaren; het weer gaat veranderen, naast de toch al zware omstandigheden van de dienstvervulling. Weinig vrije tijd ook.

Ik wens U toe dat U deze tijd goed door komt, en dat U op de juiste wijze Uw taak gaat uitvoeren. Straks zal ik velen van U op Uw posten nog terug zien. Ik verwacht van U een uitstekende taakuitvoering, zoals ook Uw voorgangers dat hebben gedaan."

Daarna richtte z'n aandacht zich meer op de vertrekkende groep:

"Degenen die ons straks gaan verlaten, kijken waarschijnlijk met een beetje weemoed terug naar de tijd die achter U ligt. U gaat terug naar Nederland en zult natuurlijk veel te vertellen hebben. Bedenk echter steeds bij alles wat U in het openbaar zegt, Dat dit een nawerking kan hebben op Uw collega's die hier achter blijven. Wilt U daarom enige terughoudendheid betrachten?”


De hele toespraak was gedaan op de joviaal-officiële toon van iemand die een keurig ingestudeerde toespraak houd terwijl hij zich nog, een van de jongens voelt.

Na die toespraak, werd de hele ceremonie natuurlijk ook nog even keurig afgesloten met “het Wilhelmus" dat weerklonk uit een cassette-speler met twee luidsprekers. Daarna werden de vertrekkende mannen afgemarcheerd en ook ik heb hen toen van het blijkbaar traditionele applaus voorzien. Oftewel, men begon te klappen en ik deed daar maar keurig aan mee.

Uiteindelijk, waren zij vertrokken in de richting van het vliegtuig dat ons naar Libanon had gebracht en dat hen terug naar Nederland zou gaan brengen. Wij mochten plaatsnemen in de voertuigen waarmee zij naar Beiroet waren gebracht en die ons dus naar het, door Nederlandse militairen bewaakte gebied in zuid Libanon zouden gaan brengen.

Mijn negentien-jarige zelf was echter tot op dat moment nog niet verder het buitenland in geweest dan winkelend met m'n ouders, net over de grens in Duitsland. Ik vond het dan ook erg spannend.

Zover als die overkapte vrachtwagen dat toeliet, probeerde ik wel zoveel mogelijk rond te kijken maar  veel kon ik niet zien omdat ik niet bij de klep van de vrachtwagen zat maar veel verder naar binnen. De colonne UN witte voertuigen verliet ondertussen het vliegveld van Beiroet en reed de straten van een, voor mij nog compleet vreemde wereld in. 

Net daar aangekomen, zat ik natuurlijk al maanden in het leger waardoor de, in het leger gewone manier van doen dus echt niets nieuws meer voor me was. 

De uiteindelijke aankomst had me echter wel een beetje het gevoel gegeven dat ik, als jochie wou meespelen met de grote jongens. Misschien gewoon doordat ik me in dat vreemde land waar ik nog niets kende, weer een groentje voelde.


Het Libanon van toen, was een land, waar duidelijk al veel gevochten was. Onderweg naar het zuiden, werden we dan ook herhaaldelijk gecontroleerd door allerhande gewapende groeperingen. Toen we echter na een lange rit met veel oponthoud, over een aan alle kanten opgelapte kustweg, die de enige noord/zuid verbinding daar bleek te zijn, aankwamen in het door ons Nederlanders gecontroleerde gebied, begon dat eerste gevoel al minder te worden. 

De enige militairen die we in "ons" gebied zagen waren namelijk gewoon Nederlands en daar, bij ons eerste eigen roadblock, dat van post 7-18. (Post zeven-eén-acht) bleven de eersten van ons nieuwelingen achter. Vandaar reden we verder langs nog een paar van onze posten en roadblocks, waar dus ook steeds weer jongens achter bleven en de heuvels op waar de veel grotere post 7-4 die onze C.P. (Commando Post) was. Daar, aan de rand van het dorpje "Maydal Zoun", bleven de meesten achter. 

Daar aangekomen moesten we ons natuurlijk eerst weer keurig opstellen omdat we, dit keer van onze eigen kapitein, nog eerst weer een welkomst toespraak moesten ondergaan. Daarna werden we, als ondertussen stevig uitgedunde groep, met ooit spierwitte YP's, (Achtwielige pantservoertuigen.) het dorp weer uit en de ruwe heuvels in gebracht. 


Van de laatste huizen, voordat we het dorp weer uitreden, waren alleen nog ruïnes over en in de maanden dat ik in Libanon ben geweest, zouden we daar dagelijks langs de achter gebleven bergen steenpuin lopen of rijden.

Er was daar ook een restant van een ruime, blauw/wit gekleurde tegelvloer die als een glimp vergane glorie, wanhopig leek te proberen om nog een indruk van betere tijden te wekken. Daar zouden we die volgende maanden, iedere nacht een uur zitten waken tijdens de nachtelijke patrouille.
Een klein stukje verder stond nog, naast een eenzame, knoestige oude Libanese ceder boom, een gedeukt en totaal verroest maar ooit
donkerblauw autowrak te vergaan bij het laatste restje van wat je nog een verharde weg zou kunnen noemen. Daar leek ook meteen alle beschaving op te houden en reden we voor het eerst het kale, glooiende en ruwe heuvellandschap in dat in mijn gedachtes, nu nog steeds als een "thuis" voelt.

Met alleen hier en daar wat droge struikjes was daar, als daar niet een opgedroogd modderpad tussen de rotsen was geweest, niets meer te zien dat zelfs maar een schijn van menselijke aanwezigheid zou kunnen wekken. Toen ik daar die eerste keer het ruwe Libanese heuvelland in reed, was m’n eerste bewuste gedachte; "zo zou ik wel willen wonen". Je zou het zelfs liefde op het eerste gezicht kunnen noemen.


Achteraf terugkijkend, zou ik echter willen dat ik toen, meer foto’s had gemaakt.

Van de vele keren dat ik daar uiteindelijk gereden heb, heb ik namelijk, veel te, weinig foto’s. In die tijd was het, zeker voor mij nog helemaal niet gewoon om maar overal foto’s van te maken. Mobiele telefoons met ingebouwde kamera, bestonden nog helemaal niet dus foto’s maakte ik toen nog met een analoog fototoestel met een fotorolletje erin en als je dat rolletje van, in mijn geval 24 foto's dan vol had, moest je het eerst laten ontwikkelen en afdrukken bij een fotograaf, om überhaupt te kunnen zien wat je nou eigenlijk precies op die foto had gezet.

Daardoor heb ik nu ook niet zo veel spontane snapshots of foto’s van gewone dagelijkse dingen als ik achteraf terugkijkend, graag zou hebben gehad. Tijdens die eerste rit zat mijn fototoestel zelfs nog ergens in m’n handbagage en het kwam niet eens bij me op om dat uit te pakken terwijl ik nog onderweg was.