Geschiedenis

Libanese geschiedenis


Nadat het Ottomaanse rijk was verslagen door de geallieerden, werden in 1920 –na de Conferentie van San Remo– de gebieden Libanon en Syrië, Franse mandaatgebieden. De Fransen bestuurden Libanon met behulp van de katholieke Maronieten die toen nog de meerderheid van de bevolking uitmaakten.

In 1943 werd het Franse mandaat over Libanon echter opgeheven en werd Libanon een onafhankelijke republiek. Toen werd ook het zogenaamde "Nationaal Pact" gesloten waarbij werd bepaald dat de president altijd een Maronitisch christen zou zijn, de premier een soenniet en de voorzitter van het Huis van Afgevaardigden een sjiiet. Ook werd bepaald dat tijdens een eventueel Arabisch conflict Libanon neutraal zou blijven. Het land zou zich cultureel zowel op Europa als op de Arabische Landen oriënteren.

Gedurende de jaren 1940 en 1950 was de situatie stabiel, hoewel er wel degelijk ongenoegen waarneembaar was bij de sjiieten, die ondanks het feit dat hun bevolkingsgroep steeds toenam, een tweederangsrol bekleedden in de regering. De jaren 1950 en 1960 waren tijden van grote economische voorspoed en ver doorgedreven markteconomie.

In 1958 kwamen moslims in opstand en eisten een nieuwe volkstelling. Zij meenden dat de volkstelling uit 1932 achterhaald was en dat zij inmiddels de meerderheid van de bevolking uitmaakten. De Libanese regering gaf geen gehoor aan de eis van de moslims en met Amerikaanse steun werd de opstand onderdrukt.

In 1973 vond er een uitbarsting van geweld plaats tussen regeringsmilities en de in Libanon verblijvende Palestijnen van de PLO. Daarnaast ontstond er een strijd tussen de falangisten van Pierre Gemayel (een extreem rechtse, christelijke beweging) en diverse islamitische partijen.


13 april 1975 word over het algemeen gezien als het begin van de Libanese burgeroorlog die zou gaan duren tot 1990. Op de morgen van die dag werd een aanslag gepleegd op de leider van de Falangisten waarbij vier mensen omkwamen. De Falangisten vermoedden dat Palestijnse fracties achter deze aanslag zaten en vielen in reactie hierop een bus met Palestijnen aan waarbij 26 mensen omkwamen.

De volgende dag braken er verscheidene gevechten uit tussen Palestijnse en Falangistische milities. 

Het Libanese leger kwam voor een moeilijke keuze te staan: moest het Palestijnse geweld worden aangepakt of moesten juist de Falangisten worden ingetoomd? Welke beslissing men ook nam, het zou verdeeldheid zaaien in het leger wegens de sterk toegenomen vijandigheid tussen moslims en christenen binnen dat leger.


In januari 1976 werd onder Syrische invloed een nieuw staakt-het-vuren bedongen maar door de gewelddadigheden tussen de Christenen en de Palestijnen was dit niet eenvoudig. De Christenen vielen een Palestijns vluchtelingenkamp in Oost-Beiroet aan, Tell Zatar. Dit kamp lag als een moslimenclave in het overwegend christelijke Oost-Beiroet en was een doorn in het oog van de christenen. Tevens werd een moslimwijk in Oost-Beiroet, Karantina, met de grond gelijk gemaakt waarbij vele doden vielen. 

Deze aanslagen leidden ertoe dat de militaire tak van de PLO, (PLA Palestine Liberation Army) die zich tot dan toe afzijdig had gehouden, zich met de strijd ging bemoeien. In reactie op de aanslagen door de christelijke milities, vielen zij de christelijke stad Damour aan, waarbij veel burgers werden gedood en de overlevenden werden verdreven.

Door deze ontwikkelingen liet het staakt-het-vuren een maand op zich wachten, maar in februari 1976 was Syrië toch in staat een bestand af te kondigen. Een maand later, echter, werd dit bestand alweer verbroken door het opbreken van het Libanese leger, wat tot dan toe, neutraal was gebleven.


De situatie in het zuiden


Het zuiden van Libanon werd tot dan toe gedomineerd door de militie genaamd Zuid-Libanese Leger (SLA of DFF), geleid door majoor Saad Haddad, die samen met medestanders was gedeserteerd uit het officiële Libanese leger. Haddad werd militair en financieel gesteund door Israël, middels het initiatief genaamd “Good Fence”. Dit programma voorzag in het steunen van Libanese christelijke groeperingen, zoals dat Zuid-Libanese Leger, om zodoende het noorden van Israël te beschermen tegen aanvallen door de PLO.

De PLO stond intussen onder druk om haar zware wapens in te leveren en nam toen haar toevlucht tot het zuiden van Libanon. Als reactie hierop, begon het legertje van Haddad een offensief gericht op het verdrijven van de Palestijnse milities uit het zuiden van Libanon. Deze operatie, genaamd “Vrij Libanon” veroorzaakte een massale vlucht van sjiitische moslims naar noordelijker delen van Libanon.


In 1976 viel een voornamelijk uit Syrische troepen bestaande Arabische afschrikkingsmacht Libanon binnen om de bewegingsvrijheid van de PLO te beperken en haar te onderwerpen aan de Libanese wetten. Israël dreigde echter te zullen ingrijpen als de Syrische troepen ten zuiden van de havenstad Sidon zouden komen. Hierdoor was Syrië niet in staat om het gezag van de Libanese regering in het zuiden te herstellen. Dit machtsvacuüm stelde de PLO in staat om vanuit Libanon, aanslagen te plegen op Israëlisch grondgebied. Een van deze acties had uiteindelijk ver strekkende gevolgen. 


Op 11 maart 1978 infiltreerde een Palestijnse commando-eenheid naar Israël en kaapte daar twee bussen waarin vooral een groot aantal schoolkinderen zaten. Bij de uiteindelijke “shoot out” van deze gijzeling vielen 37 doden en 76 gewonden, waaronder veel van die schoolkinderen. 

Die gijzeling was de bekende druppel en als antwoord viel Israël in de nacht van 14 op 15 maart, met een Leger van zo’n 20.000 man zuid Libanon binnen voor een aanval op de Palestijnse milities (opperation Litani) en bezette dit tot aan de rivier Litani. De Libanese regering riep toen de hulp in van de veiligheidsraad van de verenigde naties die daarop resolutie nr. 425 opstelden.

(Gedeeltelijk) Gehoor gevend aan die resolutie trokken de Israëlische eenheden zich weer terug tot aan de Israëlisch/Libanese grens en werd er een VN vredesmacht in dit gebied gestationeerd. United Nations Interim Force In Lebanon - UNIFIL.

Maar de Israëli’s hebben, in plaats van zoals afgesproken het hele gebied aan UNIFIL over te dragen, de laatste ± 2 tot 10 km brede strook aan de christen-milities van Majoor Haddad overgedragen. Hierdoor werd een ‘enclave’, een buffer gecreëerd tussen de Palestijnen en Israël. 

De mannen van Haddad stonden onder Israëlisch toezicht en in de enclave waren dan ook vaak Israëlische militairen te zien. Er waren wel UNIFIL posten in de enclave maar die waren dus enigszins beperkt in hun handelen.

De milities van Haddat raakten in het begin van de UNIFIL periode, soms in zware vuurgevechten verwikkeld met UNIFIL en in de hele periode zagen ze ons liever gaan dan komen. 


De politiek heeft internationaal nog veel gesproken over de vraag of de vrede bewarende taak niet eigenlijk een “vrede afdwingende” taak moest zijn, maar onder andere de Nederlandse regering was hier fel op tegen. Bovendien had de Libanese regering gevraagd om een verdubbeling van de UNIFIL troepenmacht tot 12000 man. 


Op 18-01-1979 verzochten de VN de Nederlandse regering formeel om een eenheid te sturen voor UNIFIL omdat Frankrijk zich terug trok. Daarop besloot de Nederlandse regering om het 44ste painfbatt, dat al sinds 1950 ‘stand-by’ was voor de VN, naar Libanon te sturen. Op 10-03-1979 kwam de hoofdmacht aan in Libanon en op 14-03-1979 namen zij het commando over van de Fransen. 


Als een “vrede”, via een VN resolutie tot stand komt is dat meestal een erg kwetsbare vrede en dat was ook deze keer gebleken. De Franse regering had paratroepers gestuurd die getraind waren om te vechten, om anderen hun wil op te leggen. Dat gaf het effect van de olifant in de porseleinkast en de Fransen hadden dan ook snel diverse doden en gewonden te betreuren De Libanezen waren ondertussen gewent om te vechten tegen alles wat ze bedreigend vonden en de fransen werden zeker als een bedreiging gezien. Zij trokken zich onder andere daarom ook, uit Libanon terug. 

Nederland stuurde dienst plichtige militairen en Hollandse Jan bleek veel beter in staat om met de bevolking te communiceren. De nu ondertussen bekende Nederlandse aanpak bleek veel beter te werken. De Libanezen waren dus, na wat schermutselingen in de begintijd, uiteindelijk erg blij met onze komst. wij waren dan ook niet bedreigend. Wij stonden niet boven de mensen maar er midden tussen omdat we veel nieuwsgieriger waren en ook veel hulp boden aan de burgerbevolking. 


Het gebied waarvoor Dutchbatt verantwoordelijk was, was het grootste, lastigst te controleren gebied van heel Unifil. Het strekte zich uit vanaf de kust zo’n vijftien km landinwaarts. Aan de kust was een smalle vruchtbare strook met veel sinaasappel plantages. De rest van het gebied werd door diepe, drooggevallen rivierbeddingen (wadi’s) doorsneden. Een diepe en lange wadi deelde het gebied in tweeën. Het gebied telde ongeveer 32000 inwoners. De meesten van hen waren arme, sjiitische moslims. Alle 22 dorpen in het gebied hadden oorlogsschade opgelopen. Sommige waren zelfs voor meer dan de helft vernield. Ook de wegen, het elektriciteitsnet en de watervoorziening waren zwaar getroffen. Het gebied kende in politiek en militair opzicht een driedeling. In het noorden lagen de Palestijnse steunpunten, in het zuiden de christelijke enclave en daartussenin lag een stuk niemandsland. 


Dutchbatt moest door de grote omvang en de slechte toegankelijkheid van het gebied gedecentraliseerd optreden. Deze spreiding met verschillende posten, maakte Dutchbatt kwetsbaarder maar ook doelmatiger. In het begin werkte dutchbatt ’s nachts veel met patrouilles te voet om het gebied te bestrijken maar het geluid dat deze maakten werkte waarschuwend. Daarom bemanden de dutchbatt militairen in het vervolg ’s nachts luister of waarnemingsposten. Daar werd dan geruime tijd stilgehouden en waargenomen. 


Share by: