Onze eerste nachtelijke patrouille? Was dat niet tijdens onze eerste nacht daar al? Of was dat de tweede? Soms ben ik ervan overtuigd dat het meteen de eerste nacht was en soms twijfel ik. Och het is ook al meer dan veertig jaar geleden.
Wat ik wel zeker weet is dat we bij die eerste keer ons, voor vertrek nog netjes op een rij hebben moeten opstellen voor een keurige inspectie. Het hele protocol van zo'n inspectie was er vooral op gericht dat de wapens, uitgebreid werden gecontroleerd op eventueel achter gebleven munitie.
Misschien is het, voor gewone mensen, nuttig als ik dat even, een beetje toelicht.
Als je namelijk een magazijn met munitie in het wapen schuift is het wapen "half geladen" Je kunt nog niet schieten maar er zitten wel kogels in. Zo pakten wij ze gewoonlijk ook uit de wapenkast. Je pakte dus standaard een half geladen wapen mee. Als je vervolgens het wapen "aanspant" zit de eerste kogel in de loop. Het wapen is dan dus "doorgeladen". Alleen de veiligheidspal belet je dan nog het schieten.
Zo vlak voor vertrek van de eerste patrouille, met ons netjes op een rij, is zo'n inspectie natuurlijk ook een perfect moment voor wat laatste instructies en zo.
Onze voorgangers stonden toen echter een beetje geamuseerd te kijken naar zo veel, keurig militair protocol, waardoor mijn, nog erg jonge zelf het allemaal erg overdreven vond.
Als ik dit stukje echter nu, jaren later teruglees, besef ik dat je beter niet blind kunt vertrouwen op voorgangers die je niet kent omdat ze ondertussen al terug waren in Nederland. Je kunt niet weten wat ze hebben achtergelaten. Als je dan met hun wapens, die onze wapens waren geworden, op pad moet, is het heel verstandig om ze even te controleren. De meeste ongelukken gebeuren als je bijvoorbeeld, zonder het te weten met een doorgeladen wapen bezig bent.
Voor die inspectie moesten we trouwens eerst het magazijn met munitie, dat al in het wapen zat, uit het wapen halen om het er na de inspectie en bij het commando "half laden" weer netjes in te kunnen schuiven. Vooral door de geamuseerde blikken van onze voorgangers, vond ik het allemaal een vreemd omslachtig gedoe. Dit is echter de enige keer die ik me herinner dat we in Libanon, zo uitgebreid geïnspecteerd werden. Uiteindelijk, toen alle plichtplegingen eindelijk achter de rug waren, liepen we dan toch echt, zwaar bewapend de poort uit voor onze eerste nachtelijke patrouille.
In het Libanese binnenland vond je toen nauwelijks straten, en helemaal geen straatlantaarns dus eenmaal buiten de poort zagen we, met onze Nederlandse ogen, alleen maar inktzwarte duisternis. Ik kond daar toen in ieder geval, alleen met veel moeite een schim van een pad onderscheiden.
De postcommandant van onze voorgangers, was toen de leider van de patrouille en hij gaf ons een kwartier om aan het donker te kunnen wennen. Tijdens dat kwartier vertelde hij onder andere dat hij in het begin ook niets had gezien, maar dat het snel went. Hij zij; "na een paar weken hier, zie je steeds beter in het donker", en dat bleek ook zeker te kloppen.
Na dat kwartier wachten, vertrokken we en volgde ik, omdat ik nog steeds niet veel meer dan dat gordijn van zwartheid zag, strompelend en struikelend onze leider. Na een poosje in Libanon, werd dat gordijn echter steeds minder dik.
In principe had iedereen had z'n eigen persoonlijke wapen op een vaste plek ik de wapenkast staan, dus dan griste ik, als ik op patrouille ging, gewoon, m'n wapen met vol magazijn er al in, uit de wapenkast in de keuken en liep ik zonder problemen, direct vanuit de TL verlichte prefab, het nachtelijke duister in. Zelfs in de donkerste, meest bewolkte en regenachtige nachten. (Ik was daar in de winter en dan regent het daar veel dus.) Tijdens heldere, maanverlichte nachten was tegen die tijd, ook m'n maan schaduw duidelijk te zien in dat voorheen nog zo stikdonkere landschap.
Bij die eerste patrouille echter had ik, doordat ik nog niks zag, echt het gevoel dat er op ieder moment een terrorist uit die inktzwarte duisternis tevoorschijn kon springen en met een lijf vol spanning volgde ik toen de jongens die voor me liepen.
Het geladen wapen aan m’n schouder gaf me daarbij een vals gevoel van "wie doet me wat", maar dat is niet echt een overtuigend gevoel als je, je heel bewust bent van het feit dat je nauwelijks een hand voor ogen ziet. Achteraf, meer realistisch terugkijkend, ben ik dan ook vooral blij dat, ik persoonlijk, toen nooit een antwoord heb gehad op de vraag: "Wie doet me wat."
Die eerste keer liepen we dus, met een eigenlijk veel te kleine tussenruimte om elkaar niet uit het oog te verliezen, de inktzwarte nacht in want je mocht natuurlijk geen zaklamp gebruiken. Aan de ene kant omdat je dan zelf al van kilometers afstand wordt gezien maar ook omdat je dan, buiten de lichtkring van je zaklamp, helemaal niks ziet. Je ogen wennen nooit echt aan het donker als je met een zaklamp gaat lopen zwaaien.
Eerst volgden we nog het pad in de richting van het dorp, maar na een paar honderd meter gingen we van dat pad af en liepen we in in de richting van onze allereerste nachtelijke "Luisterpost" (waarnemingspost). De patrouilles duurden gewoonlijk een uur of zeven en in die uren namen we, op drie plaatsen zo'n tijdelijke post in. De eerste was bij een opgeblazen raketbunker, op de helling van de heuvel van het dorp. De foto's zijn trouwens gemaakt toen we de patrouille eens overdag liepen omdat we tijd over hadden.
Die eerste keer liepen we echter, nog struikelend over stenen, rotsen en struikjes die we niet of te laat zagen, het stikdonkere landschap in.
In dat stikdonker beklommen we die eerste keer ook de heuvel naar de geëxplodeerde bunker waar we dus een uur, stilletjes en met een onderlinge afstand van een paar meter zaten waar te nemen.
Tijdens zo'n patrouille mochten we natuurlijk niet echt praten want we mochten zelf niet gehoord of gezien worden door eventuele onverlaten. De rokers onder ons mochten eigenlijk ook niet roken omdat zo’n gloeiende sigaretten peuk, ook erg goed is te zien in het donker. De verstokte rokers onder ons, (niet rokers waren in die tijd nog een minderheid.) leerden echter snel genoeg om dat gloeiende puntje met hun handen af te schermen want een hele nacht zonder een peuk wakker blijven, dat kan natuurlijk niet.
In de loop van dat eerste uur bij die bunker, begonnen m’n ogen pas genoeg aan het donker te wennen om te zien waar ik überhaupt was, en toen dat uur voorbij was, klommen we nog een stukje omhoog en over de heuveltop heen naar onze tweede Luisterpost bij een verlaten huis. Daar begon het hele proces van zitten en de wacht houden dan weer opnieuw.
Het huis lag aan het eind van een smal weggetje. Hoewel woorden als huis en weggetje eigenlijk te grote complimenten zijn voor dat, gedeeltelijk geasfalteerd pad met een grijs gebouwtje zonder ramen aan het eind.
Het was een klein gebouwtje met twee verdiepingen op de helling van de heuvel, en ik denk dat de bewoners waren gevlucht voor het geweld van de oorlog, want het was vanaf de buitenkant, met kettingen en hangsloten afgesloten. Vandaar keken we uit over het veel vlakkere gebied aan de kust en tijdens heldere nachten kon je daar soms, in de verte, een teken van bewoning zien. Dingen als een lampje bij een van de schaarse gebouwen in dat iets meer bevolkte en groenere plantage gebied.
Daarna volgden we dat "weggetje" naar het dorp waar je 's nachts, niemand zag door de curfew (avondklok). Je kon daar wel soms wat geluiden horen van mensen of dieren in huizen of op binnenplaatsen. In dat dorp hing altijd die hele typische geur van mensen en dieren die allemaal samen in kleine ruimtes leven.
Vandaar uit ging het dan naar de derde en laatste Luisterpost bij een kapotgeschoten villa aan de rand van het dorp. De "villa" had een kleurig betegelde binnenplaats gehad, en toen het nog heel was geweest was het vast erg mooi, maar er waren alleen nog kapot geschoten brokstukken achter gebleven.
Die hadden, vond ik toen, een erg goede plek gehad om te wonen. Het leek een villa met een ruime, afgeschermde binnenplaats, waarvan voornamelijk nog de vergane glorie van neergestorte plafonds en die ruime binnenplaats met kapotte kleurige tegeltjes restte. Hoewel ik me nu, jaren later afvraag of die villa niet een badhuis was geweest. Waarom heb ik toen niet wat meer doorgevraagd?
Van daaruit keken we uit over het dal in de driehoek tussen het dorp, onze eigen post en de zuid Libanese post Tango aan de overkant. Aan de verre horizon was dan weer de heuvelrij waar de grens met Israël was, In de nacht kon je die echter alleen onderscheiden als het erg helder was, of als ze hun enorme zoeklichten aan hadden. Uiteindelijk liepen we langs het gewone, verbreedde geitenpad terug naar onze eigen post. Je was dan dus zo'n beetje de hele nacht onderweg geweest en die patrouille liepen we iedere nacht. Toen het, richting januari eenmaal echt winter werd, merkten we wel dat de temperaturen in Libanon, in de nacht, aardig onderuit konden gaan.